autumn-leaf-971931_960_720Dat hulp bij levensbeëindiging onder voorwaarden mogelijk moet zijn, staat voor mij niet ter discussie. Op basis van een persoonlijke ervaring weet ik dat een zachte dood voor een terminale patiënt die uitzichtloos lijdt, heilzaam kan zijn voor betrokkene en daarmee – als er sprake is van open communicatie – ook voor zijn of haar omgeving.

Er zijn ook mensen die psychisch ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Dat lijkt mij een veel complexer verhaal waar ik gelukkig (nog) geen ervaring mee heb. Ook hier kan na een zorgvuldig proces gekozen worden voor euthanasie. Ook binnen de bestaande wetgeving.

Ik vind dat stervenshulp de uitzondering moet blijven. De roep om het recht op stervenshulp voor iedereen boven een bepaalde leeftijd, lijkt me vooral een ideologisch gemotiveerd verhaal. Zelfbeschikking is dan het sleutelwoord. In het publieke debat wil de één niet voor de ander onder doen: ‘kijk toch eens hoe liberaal en ruimdenkend ik ben’. Maar wat vergeten wordt is dat zelfbeschikking en autonomie weliswaar belangrijk, maar in het menselijk samenleven nooit absoluut zijn. Mensen hebben ook andere waarden en verlangens. Niemand is een eiland. Geen wonder dat de PCOB en Unie KBO, twee grotere ouderenbonden, heel kritisch zijn en bezwaren maken inzake het recente wetsvoorstel Voltooid Leven.

Natuurlijk komen mensen in de laatste levensfase vaak voor grote vragen te staan. Is mijn leven nog de moeite waard? Wat heeft het allemaal voor zin? Mensen gaan daar verschillend mee om. En de antwoorden op deze vragen kunnen ook van dag tot dag verschillen. Levenskunst groeit misschien wel naarmate je ouder en gebrekkiger wordt.

In onze cultuur is het marktdenken sterk aanwezig. Wat kost het? Wat en wie heeft (nog) nut? Kunnen we het niet efficiënter organiseren? Dat zijn vooral de vragen die klinken. Mensen kunnen mede hierdoor een gevoel krijgen van overbodigheid. En dat moeten we niet willen, vindt bijvoorbeeld ook schrijfster Vonne van der Meer. In het decembernummer van magazine De Linker Wang staat een boeiend interview met haar naar aanleiding van haar boek ‘Winter in Gloster Huis’ dat over deze thematiek is verschenen.

Stervenshulp moet de uitzondering blijven. Als de politiek er een collectief recht van maakt, wie moet dan de stervenshulp gaan uitvoeren? Welke beroepsgroep wil je hiermee belasten? Weinigen staan te juichen. En wat wordt de norm als je volstrekt afhankelijk bent? En hoe kijken mensen naar zichzelf? Gaan ze zich sneller overbodig voelen? Mag het afhankelijk zijn nog zin geven? Bijvoorbeeld de voldoening die iemand beleeft om te zorgen, waardoor degene die zorg ontvangt weer iets betekent voor degene die zorgt biedt? Of worden deze subtiele onderlinge gevoelens, en de zingeving die kan ontstaan vanuit een zorgrelatie, dan sneller gezien als softe compassie en ondoelmatige dwaasheid?

Autonomie is een belangrijke waarde. Maar het gaat ook om de vraag hoe we willen samenleven en hoe we willen omgaan met kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Ik wil kiezen voor een ‘cultuur van het leven’ waarin stervenshulp vanuit barmhartigheid de legitieme uitzondering blijft. Juist die legitimiteit – die er dankzij de huidige euthanasiewet is – ervaar ik als een positieve verworvenheid. Maar het gaat dan nadrukkelijk wel om uitzonderingen onder heldere voorwaarden.

Ik hoop dat mijn eigen partij, GroenLinks, voor de tweede route kiest. Ik zie het als de gulden middenweg tussen enerzijds het dogmatisme van christelijk-rechts en anderzijds de tunnelvisie van een aantal liberalen die in ons land relatief veel invloed lijken te hebben.

Dit artikel is ook gepubliceerd als opiniestuk in het Nederlands Dagblad.

Advertenties