referendumDe Nederlandse kiezers mogen een stem uitbrengen. Het gaat op 6 april over het verdrag tussen de Europese Unie en grensland Oekraïne. Zelf zal ik vóór stemmen. Ik wil de vrijheidslievende Oekraïners niet in de steek laten. En het is onjuist dat het verdrag een opstap is naar het EU-lidmaatschap van Oekraïne; de EU sloot ook met andere buurlanden verdragen, zoals met Marokko. Daar kraaide toen geen haan naar.

Waar Poetins Rusland geweld gebruikt om zijn economische en culturele invloedsfeer te vergroten, doet de EU dit in afstemming met én met instemming van de andere partij. Kortom: met een associatieverdrag. Als de EU nu geen verdrag sluit met Oekraïne, leidt dat tot meer invloed voor het autoritaire Rusland. Zo werkt geopolitiek.

Sinds 1 juli 2015 bestaat in Nederland de mogelijkheid om een raadgevend referendum te houden. Het kan voor alle aangenomen wetten. Maar er zijn uitzonderingen. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een referendumverzoek in te dienen over de begroting of het koningshuis.

De aanvraag van een referendum kent twee stappen. Eerst moet een inleidend verzoek worden ingediend door 10 duizend stemgerechtigde Nederlanders binnen vier weken na publicatie van de wet. Als er voldoende inleidende verzoeken zijn ontvangen, treedt de tweede fase in werking: binnen zes weken moeten 300 duizend verzoeken worden ingediend. Als aan die voorwaarde is voldaan, komt er een referendum. Als de meerderheid van de mensen die een stem uitbrengt tegen de wet stemt, en de opkomst is boven de 30 procent, dan wordt de wet niet van kracht, tenzij de wet opnieuw wordt goedgekeurd door het parlement.

Hoe stevig is dit fundament? Ik denk – en ik schrijf dit aan de vooravond van het referendum op 6 april – dat de drempels nu te laag zijn. Hoewel 300 duizend verzoeken een groot aantal lijkt, valt dat relatief gezien tegen: het is 2,3 procent van alle 12,9 miljoen stemgerechtigden.

Ik stel voor dat een inleidend verzoek voor een referendum moet worden ingediend door tenminste 1 procent van de stemgerechtigde Nederlanders – dat zijn 129 duizend verzoeken in plaats van de huidige 10 duizend. En vervolgens moet nog eens 4 procent van de kiezers (516 duizend mensen) zich hierbij aansluiten zodat 5 procent van alle kiezers (645 duizend mensen) aangeeft het referendum te willen. En waarom niet een opkomst van 50 procent als grens hanteren om de uitslag geldig te laten zijn?

De drempels voor een referendum moeten kortom niet te laag zijn. Het is onjuist dat een kleine minderheid zo sterk de publieke agenda kan bepalen, om welk issue of onderwerp het ook gaat. Of denk ik nu te veel in getallen en percentages? Gaat het in essentie niet om vertrouwen tussen kiezers en gekozenen, tussen burgers en overheid?

Ja, uiteindelijk is vertrouwen de essentie. Nederlanders moeten leren dat een referendum een nuttige en corrigerende aanvulling kan zijn op onze parlementaire democratie. Dat vraagt om volwassenheid. Een referendum moet geen stok zijn om de regering of de elite mee te slaan, maar een nuttige en positieve aanvulling op hoe wij samen democratie organiseren.

Minder lage drempels wat betreft het in gang zetten van een referendum en het beslissende karakter ervan, zijn praktische hulpmiddelen hierbij. Maar uiteindelijk is vertrouwen tussen overheid en burgers het fundament.