quote500Streven naar gelijkheid leidt tot middelmatigheid, betoogt Sebastien Valkenberg in Trouw (2 juni). Zijn verhaal onderbouwt hij met citaten van David Hume en Friedrich Nietzsche en laat zich lezen als een speech van een conservatief-liberale lijsttrekker: welwillende ondernemers hebben het nakijken door het nivelleringsfeestje van de PvdA.

Valkenberg vergeet dat de vermogensverschillen in Nederland steeds groter worden. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) bevestigde dat deze week met een onderzoek. Eén procent van de Nederlanders heeft inmiddels bijna een kwart van al het vermogen. Hierdoor staan gelijke startkansen onder toenemende druk. Om Sabine Roeser – speler in het ‘Filosofisch Elftal’ in Trouw – te citeren: “In de VS, en in Europa in mindere mate, vindt al decennia een herverdeling van kapitaal plaats in precies de verkeerde richting: van de armen en de werkende middenklasse naar de kleine groep superrijken.”

De Amerikaanse politiek filosoof John Rawls (1921-2002) ontwikkelde een invloedrijke theorie over sociale rechtvaardigheid. Gelijke startkansen staan daarin centraal. Volgens hem is de basisstructuur van de maatschappij pas rechtvaardig als de voordelen van de meest begunstigden het welzijn van de minst begunstigden bevorderen.

In Nederland werd dit denken gemeengoed. Het werd min of meer de ideologische basis van de Paarse kabinetten in de jaren negentig. Toen het economisch goed ging, was in ons land vaak het mantra: “De verschillen mogen best wat groter worden, als niemand er maar op achteruit gaat.” Een acceptabel streven. Maar hoe houd je dit vol als er minder of geen economische groei is? En als er een relatief kleine groep superrijken ontstaat?

Rawls’ theorie heeft oog voor armoede als moreel maatschappelijk probleem. Ongelijkheid is toegestaan maar er moet volgens hem wel sprake zijn van ‘fatsoenlijke ongelijkheid’. Dat klinkt goed, maar aan mateloze zelfverrijking lijkt zijn theorie onvoldoende normering te bieden.

In zijn artikel in Trouw schrijft Valkenberg over een exorbitant penthouse in New York met zes badkamers en vier keukens dat voor 120 miljoen euro te koop staat. Dit is een voorbeeld van zo’n extreem type rijkdom dat het de verbeeldingskracht – en daarmee de afgunst en jaloezie – van modale burgers te boven gaat. Wat is het probleem dan nog, zo vraagt Valkenberg zich af. Alsof de mate van onderlinge afgunst en jaloezie in een samenleving de maatstaf van rechtvaardigheid zou moeten zijn. En alsof heel Nederland in een rijtjeshuis woont en hier geen daklozen en miljonairs zouden bestaan. Nee dus.

Ondernemers hebben ruimte nodig en kunnen meer verdienen als ze hard werken. Maar via belastingen dragen ze ook bij aan startkansen voor anderen. De wens om te streven naar meer ongelijkheid is een gotspe, zoals een volstrekt egalitaire samenleving een utopie is. Het is beter om te werken aan een vorm van ‘fatsoenlijke ongelijkheid’ waarbij vrijheid, verantwoordelijkheid en georganiseerde solidariteit samen opgaan. En waarbij vermogens zwaarder worden belast. Zo schept de overheid sociaal evenwicht en gelijke kansen.