Janjira_bastionVrijzinnigheid is sinds kort één van de drie pijlers van GroenLinks. Wat vanzelfsprekend was, is nu formeel gemaakt. Maar vrijzinnigheid als politiek programma kan zichzelf in de voet schieten als het te weinig oog heeft voor pluriformiteit. Dan verraadt het zichzelf en wordt het een zelfgenoegzaam bastion. Echte vrijzinnigheid leidt tot dialoog, respectvolle verscheidenheid en vooral verwondering.  

Hoe gaat een vrijzinnig GroenLinks om met mensen die anders denken en doen dan gebruikelijk is binnen het dominante liberaal-seculiere discours? Betekent dit dat alle neuzen dezelfde kant op moeten? Moet iedereen hetzelfde soort openbaar onderwijs volgen? En mag er straks maar één nationale publieke omroep zijn? 

“Vrijheid heeft weinig te verwachten van een heerschappij van de meerderheid”, schreef de liberale filosoof Isaiah Berlin in 1958. Berlin voegde toe dat de betekenis van democratie makkelijk gezien wordt als de heerschappij van de helft plus één, waarnaar de helft min één zich heeft te schikken. Berlin: “De democratie is als zodanig niet logisch aan vrijheid gekoppeld en heeft historisch gezien soms verzuimd haar in bescherming te nemen, terwijl zij tegelijk wel trouw bleef aan haar eigen beginselen”.

De subsidiëring van bijzonder onderwijs kan vanuit deze optiek juist verdedigd worden. Niet als achterhaald privilege maar als bevestiging van een wezenlijk kenmerk van de democratische rechtsstaat, namelijk maatschappelijke pluriformiteit. Het is niet genoeg dat de overheid zich van bemoeienis onthoudt, zij behoort ook de voorwaarden voor burgerlijke vrijheden te scheppen en te bewaken. Juist een partij als GroenLinks hoort deze positieve vrijheid te verdedigen.

Het idee kan postvatten dat een voorhoede alle mensen vrijzinnig moet maken, ook als dat betekent dat we vrijheden en rechten moeten afschaffen of inperken. Het doel heiligt de middelen. Ontspanning, openheid en relativering ontbreken. Het willen afschaffen van onderwijsvrijheid – dat GroenLinks overigens niet bepleit maar ook geen uitzonderlijk geluid is in de partij – vind ik illustratief. En ook de wens om te komen tot één nationale publieke omroep, een maatregel die GroenLinks herhaaldelijk in verkiezingsprogramma’s heeft bepleit. Daarmee wordt de vrijheid voor burgers om een eigen omroep te stichten met een tegendraads of onwelgevallig geluid, definitief afgeschaft.

Onderwijsvrijheid

Ten eerste sta ik stil bij onderwijsvrijheid. Het verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs is niet meer zo groot als het was bij de schoolstrijd honderd jaar geleden, schreef GroenLinks-senator Ruard Ganzevoort in 2011. “De meeste scholen zijn open, pluraal en gericht op leerlingen van heel veel verschillende achtergronden (…). Er zijn nog een paar kleinere stromingen waar de scholen echt een heel eigen kleur hebben: reformatorisch, Joods, evangelisch, Islamitisch. Maar dan gaat het om vrij kleine aantallen scholen. Bij de grote bulk is het verschil niet zo heel groot meer. Dat maakt de heftigheid van de discussies een beetje overdreven.”

En de senator vervolgde: “Volgens sommigen moeten alle scholen maar openbaar worden. Pas als alle kinderen gezamenlijk naar school gaan, worden ze goed voorbereid op het leven in een veelkleurige samenleving. Maar dan doe je alsof alleen levensbeschouwelijke verschillen ertoe doen. Wie in een villawijk of dorp naar school gaat, leert ook echt niet de hele samenleving kennen.”

Ik vind deze woorden een welkome relativering van wat sommigen binnen GroenLinks over bijzonder onderwijs schrijven. Zo schreef het Zwolse gemeenteraadslid Patrick Rijke onlangs op zijn weblog over onderwijsvrijheid: “[Het] geeft ouders het recht om hun kinderen tientallen uren in de week te laten indoctrineren. Let wel: op kosten van ons allemaal. Mijns inziens kan geen weldenkend mens daar voor zijn, serieus menen dat zoiets de betiteling ‘vrijheid van onderwijs’ verdient en als grondrecht het verdedigen waard is.”

Zelf zat ik als tiener op een christelijke middelbare school waar docenten aan de hand van een bijbeltekst een weekopening verzorgden. De docenten hadden uiteenlopende achtergronden: orthodox-, vrijzinnig-, of niet-gelovig. Tot die laatste categorie hoorde een docent Duits. Hij vertelde over de pijn die hij voelde over het gesplitste Duitsland – het was 1987 – en over zijn droom van verzoening tussen Oost en West. Het verhaal – dat meer dan de helft van de les vormde – maakte diepe indruk. Zo had elke docent de vrijheid zijn eigen ervaringen te delen en hadden leerlingen de vrijheid om daar op hun eigen manier op te reageren.

Mijn eigen kinderen zitten nu op een christelijke basisschool met een heel pluriform leerlingenbestand. Dat laatste vind ik prettig. Lang niet alle kinderen gaan zondagochtend naar de kerk, zoals mijn kinderen doorgaans doen. Tegelijk vind ik het prettig dat mijn kinderen met Kerst en Pasen op school niet alleen zingen over dennenboom of paashaas, maar ook over Jezus en het oeroude mensenvolk dat zijn weg baant door de woestijn. En dat zij hierover frequent de verhalen horen.

Dat bijzonder onderwijs kan leiden tot indoctrinatie is waar omdat elke vorm van onderwijs dat kan. Elke docent brengt impliciet of expliciet iets van zichzelf, van zijn of haar levensvisie mee. Dat maakt onderwijs juist ook mooi. Goede docenten zijn pedagogisch geschoold. Dat leidt – zeker als kinderen ouder worden – tot dialoog waarbij juist wrijving glans kan veroorzaken.

Het ontbreekt Nederland aan onderwijs dat prikkelt, inspireert, vormt en richting geeft. Leerlingen moeten veel zelf uitzoeken en hun leerdoelen formuleren om te worden klaargestoomd voor de arbeidsmarkt door coaches en kennisoverdragers. Maar wat de dieperliggende zin van dit alles is? Ook dat moet aan de orde komen. Dat kan ernstig, frivool en met ruimte voor creativiteit. De levensbeschouwelijke basis van een school – welke dan ook – vormt dan een goede basis of aanleiding.

De vrijheid van ouders om eigen scholen op te richten en in stand te houden gebaseerd op levensbeschouwing of eigen onderwijsvisie, vind ik het toppunt van vrijzinnigheid. Dit in tegenstelling tot het eenzijdig opleggen van openbaar staatsonderwijs. Natuurlijk moeten er heldere kaders zijn. Die bestaan sinds de jaren negentig ook uit burgerschapsvorming als verplichte leerstof met aandacht voor universele mensenrechten en religieuze en seksuele pluriformiteit. Daar kan en mag geen school meer om heen.

Pluriform omroepbestel

Ten tweede behandel ik het omroepbestel. De verzuiling is voorbij dus moet het klaar zijn met de verschillende ledenomroepen, zo klinkt het binnen GroenLinks. Maar hoe vrijzinnig is de roep om te komen tot één ongedeelde nationale omroep?

Mediawetenschapper Dick Wensink schreef onlangs op opiniesite Joop.nl dat bij de Nederlandse publieke omroep programma’s te zien zijn of waren, die bij de buitenlandse collega’s ondenkbaar zijn. “En dat varieert van de Grote donorshow tot programma’s van de Boeddhistische Omroep. Een documentaire over vrijwillige levensbeëindiging tot een registratie van de EO jongerendag. Als de publieke omroep een programmaserie maakt voorafgaand aan verkiezingen dan wordt gekozen voor een dubbelperspectief. Pauw en Witteman en Knevel en van Brink.”

En Wensink vervolgde: “Die diversiteit is niet toevallig. Die is het gevolg van de manier waarop de publieke omroep georganiseerd is. Niet in één grote organisatie. Maar in een scala van kleinere en soms piepkleine organisaties, die één ding gemeen hebben en dat is dat ze er allemaal van overtuigd zijn dat ze programma’s kunnen maken die een ander niet kan maken. Programma’s vanuit een dwarse kijk op de samenleving, een diepe religieuze overtuiging, een passie voor kunst en cultuur, een lange journalistieke traditie of gewoon uit pesterigheid of omdat het kan.”

Tot zover Wensink. De mediawetenschapper maakt duidelijk dat Nederland een echt vrij land is waar vrijheid niet alleen wordt toegestaan maar pluriformiteit ook actief wordt bevorderd. Een land dat mede daardoor vrijer is dan de meeste andere westerse democratieën. Het pluriforme omroepstel is daarvan – mits het meegroeit met de tijd – een concreet voorbeeld.

Het is jammer dat GroenLinks blijft hangen in de – overigens terechte – kritiek op de verstarring van achterhaalde omroepstructuren. Groenlinksers gooien daarmee het vrijzinnige kind met het verzuilde badwater weg.

Seculiere dominees

Liberaal Pieter van Os, oud parlementair verslaggever van NRC Handelsblad, vertelde onlangs in tijdschrift VolZin zich te ergeren aan de kruistocht van zijn bondgenoten tegen iedereen die niet seculier is. “Wanneer je seculiere politici hoort praten – mensen op wie ik doorgaans stem – bekruipt me het onaangename gevoel hier met overwinnaarsrecht te maken te hebben. Prinzipienreiterei – precies wat onkerkelijken in het verleden zo vervelend vonden aan confessionele politici.”

Doordat de vrijzinnigheid die GroenLinks als vanzelfsprekend kenmerkte nu tot een formele pijler is gemaakt, krijgt dat mogelijk de trek van een geloofsbelijdenis. Daarmee ligt ook de mentaliteit van de ‘seculiere dominees’ op de loer. Dat zou jammer zijn en ook verre van vrijzinnig. De vrijzinnige pijler van GroenLinks richt zich op de geestelijke en lichamelijke vrijheid van het individu. Tegelijk vraagt het om een blijvende doordenking gericht op tolerantie, maatschappelijke pluriformiteit en dialoog.

In zijn spraakmakende artikel ‘Naar een vrijzinnig paternalisme’ schreef socioloog Dick Pels – voormalig directeur van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks – dat democratische matiging de norm moet zijn: “De vruchtbare paradox van het vrijzinnig paternalisme is dat het alle betweterij bestrijdt maar zelf één ding beter weet: niemand heeft de waarheid in pacht. Het komt vastberaden op voor één metawaarde, waarnaar het alle burgers wil optillen: die van de democratische matiging.”

Graag wil ik daaraan toevoegen dat iedereen het recht heeft om vanuit een eigen traditie of levensbeschouwing te blijven zoeken naar waarheid. Zowel in het onderwijs als in het omroepbestel. Laat alle waarheden vooral in vrijheid klinken. Het zijn allemaal benaderingen, maar ze vormen de levensbeschouwelijke taalvelden van wat mensen drijft en bezielt.

Bij democratische matiging hoort openheid naar elkaar, zoals Dick Pels terecht stelt. Maar er moet ook oog zijn voor pluralisme met ruimte voor afwijkende geluiden en uiteenlopende overtuigingen. Bij sommige populaire vormen van vrijzinnigheid lijkt voor dit laatste te weinig begrip te bestaan. 

Dit artikel is gepubliceerd op de website van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.