Godsdienstvrijheid is de moeder van alle grondrechten. Dit stelde de Tilburgse hoogleraar Erik Borgman vorig jaar in tijdschrift VolZin. Ik ben dat van harte met hem eens. De vrijheid van godsdienst én levensovertuiging – deze toevoeging trekt het grondrecht principieel breder dan religie – beschermt mensen in het koesteren en uitdragen van hun diepste overtuigingen. De Staat kan en mag niet opleggen wat burgers wel of juist niet voor levensovertuiging hebben. Dat bepalen mensen in een open en vrije samenleving gelukkig helemaal zelf, uiteraard binnen de kaders van de wet. Godsdienstvrijheid biedt daarmee bescherming tegen zowel staatsatheïsme als theocratie.   

Wie de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging wil verdedigen, zoals ikzelf, kan om deze reden niet anders dan grote moeite hebben met de inhoud van de ‘Wet inzake smalende godslastering’ (artikel 147). Deze wet uit 1932 is inmiddels gelukkig een dode letter. De recente ophef over het afschaffen of juist handhaven van de wet heeft daarom een hoog symbolisch gehalte. Persoonlijk vind ik het voor de hand liggend om een niet meer werkende wet af te schaffen. Maar opstandig word ik pas als een rechter op basis van deze wet daadwerkelijk een straf zou opleggen. 

In de jaren dertig van de vorige eeuw was de maatschappij totaal anders dan nu. ‘Godslasterlijke’ artikelen en prenten in een communistisch tijdschrift zorgden voor onrust. Vanuit de toen nog oppermachtige confessionele politiek werd vervolgens de ‘Wet inzakende smalende godslastering’ vastgelegd. In het wetboek van strafrecht wordt godslastering tot vandaag de dag geschaard onder misdrijven tegen de openbare orde. Was dit bij de invoering van de wet in 1932 opgeklopt en te zwaar aangezet?

De grote meerderheid van Nederland zag God als de top van een gezagspyramide, gevolgd door Koningin, Overheid, Kerk en Dominee of Pastoor. Wie in deze context God belastert, lijkt een direct gevaar te zijn voor alle gezagsverhoudingen en daarmee voor de openbare orde: het gevaar van een domino-effect. Maar inmiddels weten we – dankzij secularisatie, emancipatie, individualisering en nieuwe theologische inzichten – dat wat sommige gelovigen als godslastering ervaren geen gevaar is voor de openbare orde. Hooguit kan godslastering als kwetsend voor mensen gekwalificeerd worden.

Bewust kwetsen en grieven vind ik een uiting van onvolwassenheid en gebrek aan respect. Maar sociaal gedrag en wellevendheid laten zich niet afdwingen, zeker niet door wetgeving. Bovendien is het nog maar de vraag of alles wat (orthodoxe) gelovigen als godslasterlijk ervaren, door de vermeende lasteraar ook als beschadigend bedoeld is. Het (vermeende) kwetsen kan ook prikkelen en te denken geven. Misschien is het een uiting van wat iemand ten diepste beweegt en motiveert als atheïst. Ook zijn of haar levensovertuiging, zijn of haar zoektocht naar waarheid, verdient eenzelfde grondwettelijke bescherming.

Voor christenen komt daar iets bij. Sinds de Tweede Wereldoorlog ontdekken theologen steeds sterker de joodse wortels van het christelijk geloof. Zo groeit het besef dat de naam van God eigenlijk niet uitgesproken en opgeschreven mag worden. Het levensgeheim is niet in een beeld of leer te vangen. Daarom wordt God in de grondtekst van de Bijbel aangeduid als JHWH, de Onnoembare, ‘Ik ben die ik ben’.  Ook in de Islam wordt over God ( ‘Allah’ is slechts de Arabische vertaling van ‘God’) verteld dat Hij of Zij maarliefst honderd namen heeft. Op deze wijze wordt God een levenskracht die mensen – als het goed is – niet onderdrukt en groepeert, maar bevrijdt en inspireert. Ook de heilsbetekenis van Jezus kan in deze op vrijheid en humaniteit gerichte visie opnieuw worden begrepen, zoals bijvoorbeeld uitgewerkt is door de invloedrijke theoloog Edward Schillebeeckx (1914-2009).

Dus God en Jezus niet meer als de top van een autoritaire gezagspyramide – zoals vroeger het geval was, en ook nu nog in zware geloofsgemeenschappen – maar als een op emancipatie, vrede en duurzaamheid gerichte spirituele levenskracht.

Voor mij persoonlijk wordt God vooral gelasterd en bespot als aan zijn schepping en aan zijn schepselen schade wordt berokkend door mensen en hun ideologieën. Denk aan oorlog, armoede en milieuvervuiling. Voor mij wordt dat gesymboliseerd in het beeld van de gekruisigde Christus. Om de gewelddadige en voortdurende schending, vervreemding en lastering tegen te gaan is veel wetgeving nodig, vooral op supranationaal niveau. Denk bijvoorbeeld aan de realisatie van milleniumdoelen. Want uittocht en bevrijding vormen – zo geloof ik – het ritme van een nieuwe wereld.

Alleen een atmosfeer waarin mensen mogen uiten wat hen ten diepste raakt en beroert – en waarin goden en machthebbers bespot mogen worden – kan bijdragen aan een betere wereld. Ook als dat leidt tot uitingen die door sommigen – hoe spijtig misschien – als kwetsend worden ervaren. 

Zo kom ik tot de paradoxale conclusie dat juist godsdienstvrijheid, godslastering principieel mogelijk maakt. Hoe smakeloos of juist relevant die lastering ook is. Het kan zuiverend werken en onze godsbeelden omver werpen. Uiteindelijk geloof ik dat de goede Geest – die groter is dan mijzelf, niet in een beeld of leer te vatten is, werkzaam is in mensen én zich door niemand laat kwetsen – uiteindelijk toch haar eigen plan trekt met deze wereld en haar bewoners.

Met name de recente blog van Willem de Gelder (en de reactie daarop van Henk ten Doeschate) inspireerde mij tot het schrijven van dit artikel.