Thijs Kleinpaste en Marcel Duyvestijn vinden het een misstand dat gelovigen in Nederland worden voorgetrokken boven mensen met een andere levensbeschouwing (de Volkskrant, 20 juli). Maar hoe sterk zijn hun argumenten? En zoeken zij geen spijkers op laag water om hun secularistische punt te maken?

Kleinpaste en Duyvestijn vinden dat de wet op de smalende godslastering moet worden afgeschaft, ook al is dat inmiddels een slapend wetsartikel. Prima, maar hoe worden gelovigen in de praktijk nu bevoordeeld door een dode letter? 

Ook stellen ze dat de vrijheid van meningsuiting even belangrijk moet worden als de vrijheid van godsdienst door artikel 6 van de Grondwet niet langer apart te laten staan. Maar de vrijheid van meningsuiting is in de praktijk al minstens zo belangrijk als de vrijheid van godsdienst. Denk aan de recente vrijspraak van Geert Wilders.

Verder moet de vrijheid van onderwijs worden opgedoekt. ‘Op school leer je rekenen, taal en omgaan met andere kinderen (…). Godsdienstlessen zijn nuttig, zolang alle religies met dezelfde belangstelling aan leerlingen wordt aangereikt,’ zo schrijven de auteurs. Maar onderwijs heeft ook een levensbeschouwelijke, ethische en spirituele component. Wat leer je kinderen bijvoorbeeld over de natuur, over hun eigen spirituele ontwikkeling en over de derde wereld? En in welke mate doe je dat? Daarover bestaan geen eenduidige richtlijnen die de overheid zomaar kan opleggen, wel bestaan er kaders en grenzen. Daarom hebben ouders het recht om zelf te bepalen wat voor soort onderwijs zij hun kinderen willen laten geven, los van de vraag of dit godsdienstig geïnspireerd is of niet.

Belastingvoordelen die wel voor godshuizen gelden maar niet voor carnavalsverenigingen: die zijn Kleinpaste en Duyvestijn een doorn in het oog. Maar de auteurs gaan er aan voorbij dat levensbeschouwing wat anders is dan een volksfeest. Kerkgenootschappen kun je niet vergelijken met carnaval, wel met het Humanistisch Verbond. Kerkleden hebben geen belastingvoordelen boven leden van andere levensbeschouwelijke organisaties.

Tenslotte moeten de zogeheten weigerambtenaren het ontgelden. Maar voor hen is er nooit een overgangsregeling geweest. Dat had best gemogen omdat wereldwijd en historisch gezien de openstelling van het huwelijksregister voor homoseksuelen geen vanzelfsprekendheid is. Als zo’n regeling er bijvoorbeeld gedurende tien jaar zou zijn geweest – met nadrukkelijk de garantie dat er in elke gemeente door homo’s getrouwd kon worden – dan zou in 2011 de laatste weigerambtenaar van het toneel verdwenen zijn. Maar secularistische scherpslijperij heeft zo’n overgangsregeling in de weg gestaan.

Twee fundamentele opmerkingen tot slot. Ten eerste dat de meeste gelovigen in Nederland niet homofoob of fundamentalistisch zijn. Met hun betoog suggereren de auteurs een clichématig beeld dat religie per definitie conservatief is en geen motor van humaniteit en vernieuwing zou kunnen zijn. Ten tweede verbaas ik me dat de auteurs zich over deze sterk symbolische kwesties druk maken terwijl een keihard regeringsbeleid mensen die in een kwetsbare positie verkeren alle kansen uit handen slaat. Denk aan de bezuinigingen op Wajong, PGB en in de GGZ. Als iets godgeklaagd is, dan is dat het toch wel? Over welke kwesties maken we ons druk en door welke misstanden worden we nu echt in beweging gezet?

Dit artikel is op 25 juli gepubliceerd in de Volkskrant.