De waterschappen moeten opgaan in de provincies, luidt een veelgehoord standpunt. Zo kunnen we in Nederland de ‘bestuurlijke drukte’ tegengaan en werken aan een meer efficiënte overheid. Kabinet Rutte wil echter niet tornen aan de waterschappen. En mocht er al een besluit in die richting komen, dan duurt het al gauw acht jaar omdat een grondwetswijziging nodig is. Fascinerend is dat het aantal waterschappen in rap tempo daalt. In 1950 waren er 2.600 waterschappen en in 1980 nog maar 260. Nu zijn dat er nog 25. En het einde van de fusiegolf is niet in zicht. Wat leert deze ontwikkeling ons?

De ‘stille revolutie’ van fuserende waterschappen betekent dat Nederland binnen afzienbare tijd minder waterschappen dan provincies zal tellen.  De waterschappen – die zijn opgericht in de Middeleeuwen – zijn de oudste bestuurslaag van ons land, maar tegelijk de meest dynamische en pragmatische. De waterschappen laten zien dat zij organisatorisch flexibel zijn en voortdurend hun doelmatigheid en professionaliteit verbeteren. De onophoudelijke fusiedrang toont aan dat het bestaansrecht van de diverse waterschappen voortdurend ondergeschikt wordt gemaakt aan de gestelde kerntaken en doelmatigheid.

Daar komt bij dat door de klimaatverandering en door de urgentie van duurzame ontwikkeling ‘water’ een steeds fundamenteler beleidsthema wordt. Perioden van droogte en extreem veel water wisselen elkaar steeds meer af. Waterbeheer raakt niet alleen onze veiligheid, maar ook ons welzijn en onze welvaart. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt hoge eisen aan de waterkwaliteit en leidt tot veel maatregelen. Stroomgebieden worden hierdoor steeds relevanter als geografische indeling. Denk ook aan de ruim dertig ingrijpende maatregelen langs de grote rivieren in het kader van ‘Ruimte voor de Rivier’ (Rijkswaterstaat). Bij de uitvoering van deze maatregelen zijn vaak waterschappen als uitvoerende partij betrokken.

De provincies zullen de waterschappen niet inlijven. Tegelijk winnen de waterschappen langzaam maar zeker aan kracht en betekenis. Als de fusiedrang van de waterschappen in het zelfde tempo doorgaat als in de afgelopen zestig jaar, zullen in 2030 in Nederland hooguit nog zeven waterschappen over zijn. Deze regio’s vormen een goede basis om waterschappen en provincies te laten fuseren op basis van gelijkwaardigheid. Daarbij kan bijvoorbeeld in de Grondwet worden vastgelegd dat er aparte (geoormerkte) belastingen komen voor waterbeheer, waterveiligheid en waterzuivering.      

In de aanloop naar de ‘zeven verenigde waterschappen/provincies’ in 2030, zullen de waterschapsverkiezingen snel hervormd moeten worden. Hooguit 20 procent van de kiezers brengt nu zijn stem uit op kandidaten voor het waterschapsbestuur. Dat is natuurlijk veel te weinig. De besturen van de waterschappen moeten zo snel mogelijk indirect worden gekozen vanuit alle gemeenteraden in het beheersgebied van het betreffende waterschap. Deze indirecte verkiezingen eindigen zodra de zeven verenigde waterschappen/provincies rond 2030 een feit zijn en zich direct door de bevolking kunnen laten kiezen.

Kortom: de snel fuserende waterschappen zullen de provincies nog versteld doen staan, omdat zij een veel grotere impuls geven aan de bestuurlijke vernieuwing van ons land dan veel mensen denken.