Misschien is het een typisch gereformeerde eigenschap van mij om in deze week van verstilling en concentratie op de kruisweg van Jezus, die in veel kerken plaatsvindt, een weblog te schrijven over het lijden, sterven en de opstanding van Jezus Christus. Inmiddels heb ik geleerd dat geloof zich niet laat vangen in woorden en mijn verstand te boven gaat. Het gaat om liturgie, om mystiek en om de eeuwenoude verhalen die zichzelf het beste laten vertellen. Stil worden en luisteren dus.

Toch wil ik – in alle bescheidenheid en met eerbied – wat woorden wijden aan hoe mij geleerd is naar het sterven en de opstanding van Christus te kijken, hoe andere beelden en ideeën daar later voor in de plaats kwamen en hoe klassieke begrippen voor mij toch weer – of misschien wel voor het eerst – diepere zeggingskracht kregen.

‘Jezus is voor mijn zonden gestorven’. Dat leerde ik van huis uit en in de kerk waarin ik opgroeide. Als je dát maar geloofde, dan kwam het allemaal goed. Ook al beweerde je voor de rest een boel onzin: als je díe waarheid beaamde, hoorde je bij de juiste club én was je voor eeuwig gered. Ik zeg het wat cru, maar daar kwam het wel op neer.

Gaandeweg riep dat vragen bij me op. Want het gaat toch ook om de navolging van Christus? En ik ben toch primair verantwoordelijk voor mijn eigen daden? En waarom moet God zijn Zoon laten bloeden voordat Hij mensen kan vergeven? Dat is toch geen liefde? Missen we zo niet de kern van het verhaal?

Ik heb veel theologische boeken gelezen om antwoorden op mijn groeiende vragen te krijgen. Bijvoorbeeld boeken van Harry Kuitert en Dorotee Sölle. Ook las ik het boekje ‘Moet ik dat geloven?’ van predikant Wim Jansen uit de Protestantse Kerk. Het boekje heeft de veelzeggende ondertitel: ‘Onderdrukking en bevrijding in geloof en kerk’ (Ten Have, 1991). Graag citeer ik een fragment (op pagina 63 en 64) uit dit prachtige boekje. Jansen schrijft onder meer over Jezus:

“Hoe een rechtvaardig mens, in wie we God zelf herkennen – hoe zó een mens de meest vernederende straf moet ondergaan – dát heeft de gelovigen van de eerste eeuw zo verbaasd, daar zijn ze zó op gestoten, dat ze zijn gaan zoeken naar beelden om in dit raadselachtige gebeuren een zin te ontdekken. Beelden die de mensen van hun tijd kenden. Beelden uit de joodse offercultus: lam, bloed, maar ook uit de rechtspraak: loskopen, en uit de godsdienst: zoon van God. Het is voor de hand liggend dat wij tegenwoordig andere beelden zouden gebruiken, want een offercultus kennen we bijvoorbeeld niet meer. Dat is ook de reden dat velen er niet meer door aangesproken worden: het zijn onze beelden niet. Ze moeten ons worden uitgelegd. En dan gaat er onmiskenbaar veel zeggingskracht verloren.”

“Maar,” zo vervolgt Wim Jansen, “de apostelen en evangelieschrijvers gebruikten voor die tijd vertrouwde beelden en zo zijn ze al stamelend tot de herkenning gekomen: deze mens was God zelf. Kijk nou toch eens, zo’n rechtvaardig mens, volmaakt integer en vol liefde, die de zwaarste straf van die tijd trotseert, er niet voor uit de weg gaat – dat doet denken aan het onschuldige bokje, dat de woestijn in werd gestuurd, symbolisch beladen met de schuld van het volk, en aan het geslachte Paaslam. Het is God zelf die de gevolgen draagt van ons wanbeheer. Het is zijn schuld niet maar toch deelt Hij in die schuld.” 

Zonder kennis van de joodse traditie, van Grote Verzoendag  en Pesach (het joodse Pasen), kunnen we het christelijke Pasen dus niet goed begrijpen. Jezus was een jood en stond voor honderd procent in de joodse traditie. En dat gold ook voor zijn apostelen en voor de schrijvers van de evangelieverhalen.

Wim Jansen schrijft nog veel meer behartenswaardige woorden in dit hoofdstuk. Bijvoorbeeld: “Geloofstaal is moeilijk in woorden te vangen. Je kunt er nooit helemaal je vingers achter krijgen. Het is meer iets om aan te voelen met je geloofsintuïtie, om te proeven als brood en wijn, om te vieren en te zingen.”

Voor mij waren én zijn dit bevrijdende inzichten. Jezus is de lijdende rechtvaardige. Maar zijn dood is niet vergeefs. Zijn dood krijgt betekenis in het licht van zijn bevrijdende en verlossende levensweg.  Alleen zó kan het  Pasen worden, omdat God zich tot het uiterste, zelfs tot in de dood, solidair verklaart met mensen. Dat is geen platte wiskundige formule, maar geloofstaal die de hartstocht van het menselijk bestaan raakt.

Geen mens krijgt – uiteindelijk – gerechtigheid en liefde klein. Mensen zijn bestemd voor het licht. Tot op de dag van vandaag en waar ook ter wereld. Dat is Pasen. Volgens mij is dat geen orthodox-christelijk verhaal. Ook is dat geen vrijzinnig-christelijk verhaal. Wel is het een universeel en hartstochtelijk verhaal, vol hoop en vertrouwen.