Voorman René Danen van Nederland Bekent Kleur en Mohammed Rabbae krijgen de kous op hun kop van de partijtop van GroenLinks, waarvan zij lid zijn. Femke Halsema liet via Twitter weten: “Soms word ik wat ongemakkelijk van de toevoeging oud-GroenLinks-Kamerlid: Rabbae doet zijn uitspraken bepaald niet namens ons”. En Tofik Dibi: “René Danen. Zucht. Kan die man geen eigen partij oprichten?” En: “Wij staan juist voor het voeren van een open debat. Je kunt niet iedereen met wie je het niet eens bent de mond snoeren”.

Ik begrijp dat Halsema en Dibi als Tweede Kamerleden moeite hebben met een rechtszaak tegen Geert Wilders. Hij is – hoe groot de verschillen ook zijn en blijven – uiteindelijk wel een collega in het parlement als het nationale huis van de democratie. Halsema en Dibi komen consequent op voor de vrijheid van parlementariërs om te kunnen zeggen wat zij willen. Het politieke en publieke debat moet zoveel mogelijk ruimte krijgen.

Danen en Rabbae hebben een andere positie. Zij maken zich als burgers zorgen en ze zijn ervan overtuigd zijn dat Wilders met sommige uitlatingen de wet heeft overtreden. Bijvoorbeeld het hardop zeggen dat miljoenen moslims uit Europa verwijderd moeten worden. Dat is moreel verwerpelijk en op zijn minst een vorm van zoeken naar de grens van wat volgens de wet is toegestaan.

De vier GroenLinksers zouden er verstandig aan doen te erkennen dat zij dezelfde zorgen hebben, maar ook ieder hun eigen rol. Ruimte en relativeringsvermogen… de tweets van Halsema en Dibi getuigen daar niet van. De beide parlementariërs zouden hun positie ook kunnen verhelderen zonder zich daarbij zo hard tegen partijgenoten af te zetten. Of is de zaak daar te principieel voor? Of pikken de media het dan niet op? Misschien is het uiteindelijk goed om een pragmatische weg te bewandelen.

De rechtszaak tegen Wilders lijkt de humeurige raspopulist geen windeieren te leggen. Het koesteren van zijn imago als ‘martelaar van het vrije woord’, verhult dat de PVV op tal van punten water bij de wijn doet en verkiezingsbeloften aan de laars lapt. Rutte I lijkt daarmee op een doodgewoon meerderheidskabinet met als enige verschil dat de PVV geen bewindslieden levert. Om dat te verhullen doet Wilders er alles aan de rechtszaak zoveel mogelijk op te rekken en zijn maatschappelijke oppositierol veilig te stellen.

Tegelijk matigt de PVV-leider zijn toon sinds er politieke samenwerking ontstond tussen VVD, PVV en CDA. Die gematigde toonzetting is beslist geen reden om het niet langer hartgrondig met Wilders oneens te zijn. Maar mogelijk wel om nu –  met als het moet een waarschuwing over wat gepasseerd is – van verdere rechtsvervolging af te zien.

Het zou Wilders sieren als hij dan ook een volwaardig deelnemer wordt aan het democratisch debat. Dat hij zich bijvoorbeeld echt laat doorzagen door journalisten, met studenten van divers pluimage in debat gaat, serieuze analyses schrijft en zich niet beperkt tot oneliners en goedkope kretologie. Daarmee zou de PVV als rechts-nationalistische beweging komen tot een begin van politieke volwassenheid. De tijd zal leren of dat mogelijk is, maar de kans zou er wel moeten komen.

Het mogelijke proces naar volwassenheid wordt voltooid als de PVV zich als rechts-nationalistische partij profileert zonder de grenzen van de wet op te zoeken of (mogelijk) te overschrijden. En ook als de politieke beweging zich ontwikkelt tot een politieke partij met een interne partijdemocratie. Zouden deze aspecten niet op de één of andere manier kunnen worden gestimuleerd, bijvoorbeeld vanuit het zo bevriende Kabinet?

Los van het feit of je het met Wilders’ ideeën eens bent of niet, zou de volwassenwording van de PVV als politieke partij een welkome ontwikkeling zijn. Het komt onze parlementaire democratie en het niveau van het publieke debat ten goede. En GroenLinksers kunnen dan – samen met bondgenoten uit andere linkse partijen – doen waarvoor ze in de wieg zijn gelegd: het zoeken naar politieke invloed met het oog op een groene, sociale en vrijzinnige maatschappij.