De partijtop van GroenLinks wil een referendum, maar het partijcongres stemde afgelopen zondag tegen. Femke Halsema blijft zich inzetten voor een correctief referendum. En terecht. Het referendum is de afgelopen jaren een speelbal geworden van politieke partijen in plaats van een serieus instrument van burgers. Daar moet een einde aan komen.

Nederland heeft geen landelijke wetgeving die rechten geeft aan burgers om referenda aan te vragen. Van 2002 tot en met 2004 bestond er een Tijdelijke Referendumwet als overbrugging tot aan een Grondwetswijziging voor referenda. Maar de grondwetswijziging sneuvelde door tegenstand van vooral CDA en VVD. Hierdoor is de Tijdelijke Referendumwet niet verlengd.

De situatie groeide dat gemeenteraden, Provinciale Staten en de Tweede Kamer konden beslissen of ze een kwestie aan de bevolking konden voorleggen door middel van een raadplegend referendum. Op het eerste gezicht was dat een mooie polderoplossing. Maar in de praktijk bleek juist deze halfslachtige constructie tot ongelukken te leiden.

In 2005 kregen burgers, zonder daar zelf enige moeite voor te doen, van bovenaf de kans om ‘nee’ te zeggen tegen de Europese Grondwet. De opkomst was weliswaar hoog, maar de toon van vijandigheid was makkelijk gezet. De bevolking kreeg het referendum op een presenteerblaadje aangeboden. Vervolgens hoefde de bal slechts nog ingekopt te worden.

In 2007 en 2008 volgden in Utrecht en Eindhoven referenda om een nieuwe burgemeester te kiezen. De opkomst bleef hier ruim onder de 20 procent. Logisch, want burgers hadden zelf niet om een raadpleging gevraagd; ook hier werd het referendum opgedrongen. En de keuze bestond uit slechts twee kandidaten van dezelfde politieke kleur.

Het tegenstrijdige is dat het referendum juist het vertrouwen in de parlementaire democratie kan versterken, maar dat het averechts uitpakte. Het leidde tot ondoordachte gemeentelijke experimenten. Of het werd – zoals in 2005 rond de Europese Grondwet – een parlementair voertuig om snel en makkelijk een gevoel van onvrede onder het volk te peilen en kanaliseren. In beide gevallen schoot het referendum als volksinitiatief zijn doel voorbij.

De kern van het probleem is dat de afgelopen jaren telkens een meerderheid van een volksvertegenwoordiging bepaalde of een onderwerp voor een referendum in aanmerking kwam. Vervolgens bleven mensen thuis of mobiliseerden populisten een meerderheid. Maar de bevolking moet zelf het initiatief kunnen nemen en ook moeite (kunnen) doen voor een referendum.

Het partijcongres van GroenLinks maakte afgelopen zondag de fout dat frustraties over de ‘halve maatregelen’ van de afgelopen jaren ertoe leiden dat een ‘hele oplossing’ bij het grofvuil gezet wordt. Het getuigt daarom van leiderschap dat Femke Halsema voet bij stuk houdt.

De oplossing is dat de Nederlandse bevolking een volwaardig correctief referendum krijgt. Het initiatief bij zo’n referendum ligt nadrukkelijk bij de bevolking en niet bij een parlementaire meerderheid. Zo’n meerderheid is al gauw een monsterverbond van diverse politici die hun eigen, vaak tegenstrijdige en soms opportunistische agenda’s hebben.

Met een correctief referendum kan de bevolking uitsluitend wetten terugdraaien die inmiddels vastgesteld zijn door de Tweede Kamer (vandaar: correctief). Het initiatief ligt bij het volk. Aan een dergelijk referendum moeten naar mijn overtuiging ook heldere voorwaarden worden gesteld.

Zo kun je een norm bedenken dat een referendumverzoek kan worden ingediend als minimaal 1 procent van de kiesgerechtigde bevolking een handtekening heeft gezet. Als dit lukt, stelt de overheid middelen ter beschikking. Vervolgens dient nog eens 9 procent van de kiezers (samen minimaal 10 procent) een handtekening te zetten voordat de Kroon het verzoek honoreert. En de uitslag van het referendum is bijvoorbeeld pas bindend bij een opkomst van tenminste 50 procent. Met zulke drempels wordt een referendum geen populistische stormloop maar een uiting van bewust burgerschap.

Het referendum moet geen speeltje zijn van een parlementaire meerderheid die de stemming onder het volk peilt, bijvoorbeeld om electorale redenen. Zit daar wellicht ook de huiver bij deelnemers aan het partijcongres van GroenLinks?

Die huiver is begrijpelijk maar niet nodig. Onder de juiste condities kan het referendum een serieus instrument worden voor én door een bevolking die aantoont politiek betrokken te zijn. Door de invoering van een bindend correctief referendum kan het vertrouwen in de parlementaire democratie juist groeien.