“Radicaal en getuigend christen zijn, dat vind ik een uitdaging”, zei een straat-evangelist tegen mij. Dat zette mij aan het denken.  Moet ik als christen ook de straat op om moslims, ietsisten en humanisten te overtuigen van de christelijke waarheid?

Volgens Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders moeten kerken ten strijde trekken tegen de islam. Maar is de vermeende groei van de islam in Nederland een bedreiging voor het christelijk geloof? En waar was het Jezus zelf ooit om te doen?

Heeft Jezus zelf een nieuwe religie willen stichten? Dat staat nergens in de Bijbel. Jezus heeft wel het koninkrijk van God verkondigd. Die boodschap is onaantastbaar en overstijgt daarom – denk ik – ook de christelijke godsdienst en mijn identiteit als christen. Dit besef werkt uitdagend en ook relativerend. Ik geloof in het goede nieuws van de Bijbel voor alle mensen, maar tegelijk zijn christenen al tweeduizend jaar onvolmaakte schepsels en zijn er veel niet-christenen die een betere wereld (‘het koninkrijk van God’) dichterbij brengen. 

In de evangelieverhalen relativeert Jezus voortdurend vrome regels en godsdienstige tegenstellingen tussen mensen. Jezus – staand in de joodse traditie – roept op tot ‘orthopraxie’: eerst aandachtig luisteren om vervolgens in actie te komen. Misschien ligt de moeilijkheid van het Evangelie wel in haar spirituele en morele eenvoud: “Wie zijn minste broeder helpt, heeft Mij geholpen” (Mattheüs 25).

Door het verstaan van de bijbelse symbooltaal krijgen Jezus’ geboorte, dood en opstanding voor mij zeggingskracht. Niet als feiten maar als inspirerende theologie. De Bijbel tekent het geheim van God die afdaalt en méns wordt: de menswording van God. Alle bijbelse woorden van en over Jezus zijn achteraf in dat licht op schrift gesteld.

“Hier in dit stervend bestaan, wordt Hij voor ons geloofwaardig…”, schrijft Huub Oosterhuis. Laat het Evangelie zich vooral proeven in poëzie? Het draait in het christelijk geloof volgens mij om Jezus Christus, maar daarin gáát het voor mij om de Eeuwige die zegt: “Ik zal er zijn” en in één adem vraagt: “Mens, hoe wil jij er zijn?” Niet primair mijn religieuze identiteit, maar deze roepstem geeft aanleiding tot radicaliteit. De radicaliteit om mens te zijn.